PEDAGOGISCH BELEID: (BSO Heeg)

Voorwoord:
Binnen onze buitenschoolse opvang wordt een sfeer gecreëerd die ervoor zorgt dat de kinderen zich prettig en veilig voelen, vertrouwen hebben in eigen kunnen, voor zichzelf op kunnen komen, respect ontwikkelen voor zichzelf en anderen, zelfstandig zijn en sociaalvaardig. Ruimte voor de individuele ontwikkeling en behoefte van kinderen staat centraal in het pedagogisch handelen en er wordt aandacht gegeven aan het samen leven en spelen in groepsverband.
Buitenschoolse opvang bevindt zich tussen de thuis- en schoolsituatie en is de vrije tijd van kinderen. Door vrij spelen en het aanbieden van een gedifferentieerd en gevarieerd aanbod van activiteiten wordt er invulling gegeven aan die tijd.
Visie op kinderen:
Als een kind zich veilig voelt, zal het zich verder gaan ontwikkelen. De ouder/pedagogisch medewerker begeleidt en biedt de mogelijkheden aan en bepaalt in welke mate het kind sturing en begeleiding nodig heeft om te groeien tot een zelfstandig functionerende volwassene. Wij proberen rekening te houden met de verschillen in karakter en temperament van elk kind; het is belangrijk om elk kind op een manier te benaderen die het beste bij hem past. Concreet betekent dit dat wij denken dat kinderen het volgende nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen:
• fijne, veilige plek
• ruimte en respect
• structuur en duidelijkheid
• stimulansen tot groei en ontwikkeling
• kind mogen zijn met andere kinderen
We werken met de volgende doelstellingen;
- Het bieden van voldoende (emotionele) veiligheid voor het kind
- Het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om persoonlijke competenties te ontwikkelen.
- Het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het ontwikkelen van sociale competenties.
- Overdracht van waarden en normen.
Deze punten gebruiken we in het dagelijks handelen naar de kinderen. Wij zijn een voorbeeld. Door de kinderen te horen, met respect te behandelen en te complimenteren en positief te benaderen voelen kinderen zich veilig. Op deze manier kunnen zij zich beter ontwikkelen op alle aspecten van de ontwikkeling.
Emotionele veiligheid
Een kind moet zich prettig voelen bij een vertrouwde persoon die het kind begrijpt. Het kind moet zich thuis kunnen voelen op de opvang, zich welbevinden. De pedagogisch medewerkers proberen het kind te leren kennen, begrijpen en aanvoelen. De pedagogisch medewerkers maken contact met het kind, met woorden en door de manier van omgaan.
Voorbeeld:
Bij het ophalen van school wordt ieder kind individueel begroet bij zijn/haar naam.
De pedagogisch medewerkers steunen en stimuleren een kind door hem/haar positieve aandacht te geven. Het kind moet zich als persoon geaccepteerd en gewaardeerd voelen. Tijdens de opvang is er contact met andere kinderen. De pedagogisch medewerkers hebben de taak om dat contact tussen de kinderen te begeleiden. Een warme en positieve sfeer draagt bij aan het thuisgevoel van de opvangsituatie.
Dit doen we o.a. op de volgende manieren:
We vinden het belangrijk dat er op de BSO een ongedwongen, vrije sfeer is. Kinderen mogen daarom zelf invulling geven aan wat ze willen doen, met wie. Er zijn verschillende hoekjes ingericht waar de kinderen zich even kunnen terugtrekken (alleen of met een klein groepje kinderen). Kinderen kunnen er zelf voor kiezen of ze in of juist uit het zicht van de pedagogisch medewerkers gaan spelen. Door dit zelf te kunnen bepalen, ontstaat er een veilig gevoel. Toch is niet alles helemaal vrijblijvend. Er is een zekere mate van structuur (regels, regelmaat en gewoontes), omdat dit de kinderen duidelijkheid biedt. Het kind weet waar het aan toe is en wat hem te wachten staat. Het herkenbare, terugkerende geeft een gevoel van veiligheid en vertrouwen en bij jonge kinderen een tijdsgevoel waardoor de dag overzichtelijk wordt.
Om een relatie op te kunnen bouwen tussen een kind en een pedagogisch medewerker is het belangrijk dat er regelmatig onderling contact is. Dit begint bij de kennismaking (wennen) van het kind met de groep en de pedagogisch medewerkers ongeveer een week voordat het kind daadwerkelijk op de opvang komt. We gaan serieus om met de emoties van kinderen.
Voorbeeld:
Als we zien dat een kind zijn emotie weg slikt gaat de pedagogisch medewerker naar het kind toe en vertelt dat hij/zij rustig zijn/haar emotie mag laten zien en altijd bij de leidster terecht kan.
Kinderen krijgen de ruimte om hun emotie te tonen. Het verdriet van een kind wordt serieus genomen. Soms is een kind boos, omdat het een conflict heeft. Soms is een kind verdrietig. Kinderen met verdriet krijgen ook de ruimte om aan te geven of zij getroost willen worden. Hierdoor leren we het kind beter kennen en het geeft het kind een gevoel van veiligheid. Het kind wordt geaccepteerd in het uiten van zijn blijheid, geluk, angst, boosheid, tevredenheid (enz) en leert met die emoties om te gaan. Wij willen het kind leren zijn emoties te uiten zonder anderen te kwetsen of pijn te doen. Gebeurtenissen die ingrijpend zijn geweest worden ook altijd even met de ouders besproken.
Het contact met de ouders /verzorgers van het kind is erg belangrijk. Op die manier leer je het kind kennen zoals het thuis is en kun je met het kind over de thuissituatie praten. Het geeft het kind een veilig gevoel dat je zijn ouders / verzorgers kent. Omdat bij de BSO meestal alleen sprake is van (vaak korte) haalcontacten (met uitzondering van de schoolvakanties), kan er jaarlijks een oudergesprek aangevraagd worden, waarbij ouders en andere familieleden van harte welkom zijn. De pedagogisch medewerkers houden hierbij in de gaten of alle kinderen zich dan veilig kunnen voelen, zonder "last" te hebben van andere kinderen. Als een kind iets aan het vertellen is in de groep, krijgt het hiervoor ook de ruimte, en zorgen de pedagogisch medewerker ervoor dat het kind niet gestoord wordt in zijn verhaal.
Persoonlijke competentie.
Wij willen de kinderen ondersteunen om vertrouwen te hebben in eigen kunnen, om voor zichzelf op te kunnen komen, en om zelfstandig te zijn. De kinderen krijgen van ons ruimte en gelegenheid om allerlei vaardigheden te oefenen en onder de knie te krijgen: taal- motorische, cognitieve, sociale en creatieve vaardigheden.
De kinderen zullen persoonlijke vaardigheden ontwikkelen door ontdekking en ervaringen op te doen. Kinderen die zich veilig en vertrouwd voelen, durven op ontdekkingstocht uit te gaan. Naast veiligheid is ook voldoende uitdaging belangrijk en ruimte om hun natuurlijke nieuwsgierigheid te bevredigen. Het ene kind heeft bijvoorbeeld meer behoefte aan vrijheid nodig dan de ander.
Het is dan ook mogelijk als ouder aan te geven wat voor vrijheid het kind op de BSO krijgt. Wanneer een kind van de ouders alleen buiten mag spelen op het terrein van Yippee (zonder toezicht van een pedagogisch medewerker)dan moet de ouder hier een afsprakenformulier voor ondertekenen. Door deze vrijheden samen met ouder en kind te bespreken, wordt de autonomie van het kind gerespecteerd en de zelfstandigheid gestimuleerd. Alle kinderen moeten uiteindelijk op eigen benen staan . Om de kinderen zelfstandig op te laten groeien is het goed om hen te stimuleren om zelf activiteiten te ondernemen en in samenspraak met de pedagogisch medewerkster activiteiten te bedenken. Kinderen worden uitgedaagd om eerst zelf proberen iets op te lossen, dit kan zowel het uitproberen van een nieuwe vaardigheid als het oplossen van een ruzie zijn. De pedagogisch medewerksters hebben hierbij een aanmoedigende rol en biedt handreikingen aan.
Dit doen we o.a op de volgende manieren:
We laten de kinderen zoveel mogelijk doen wat ze al zelf kunnen. De pedagogisch medewerker probeert zoveel mogelijk hiervan op de hoogte te zijn van wat een kind al kan, en waar eventueel nog hulp nodig is. Denk hierbij aan dagelijkse handelingen zoals het strikken van schoenveters, dichtritsen van de jas, maar ook het leren fietsen of bouwen met constructiemateriaal. Door het kind te stimuleren, aan te moedigen, samen naar oplossingen te zoeken en te complimenteren wanneer het goed gaat proberen we het kind te helpen. Dit stimuleert het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van het kind.
Bij onderlinge ruzies grijpen wij niet direct in: we vinden belangrijk niet direct met een oplossing te komen, maar eerst te kijken of de kinderen er samen uit komen. Uiteraard houden we wel in de gaten wanneer kinderen er zelf niet uitkomen, en bieden we dan hulp.
De ruimte is zodanig ingericht dat kinderen zelf kunnen doen wat ze willen, en zelf het spel-of knutselmateriaal kunnen pakken wat ze willen. We laten de kinderen zoveel mogelijk zelf verzinnen op welke manier een spel gespeeld moet worden, of wat en hoe er geknutseld wordt.
We laten de kinderen zelf kiezen welke activiteit ze willen doen, en bieden daarbij nieuwe mogelijkheden en materialen aan. Als kinderen niet weten wat ze moeten doen/zich vervelen kunnen we ze kort een paar activiteiten voorstellen. Als ze hier geen zin in hebben, mogen ze zich even gaan ‘vervelen”: dit stimuleert de kinderen zelf een oplossing te bedenken voor hun probleem, en daarmee dus de creativiteit.
Er is voldoende spelmateriaal aanwezig dat de persoonlijke competentie van kinderen stimuleert. Zo zijn er verschillenden spelletjes waarbij kinderen oefenen in tactisch spel, kennis van cijfers, algemene kennis, motoriek en geduld. Door het spelen van spelletjes leren de kinderen (naast sociale vaardigheden) bovendien incasseren/ verliezen.
Een voorbeeld:
Een tekening mislukt. Het kind baalt ervan en wordt boos.
De pedagogisch medewerker stelt het kind een keuze, “je mag boos zijn en balen maar in plaatst daarvan kan je ook opnieuw beginnen of je tekening verder afmaken. Niet alles hoeft perfect te zijn. Ik vind je tekening prachtig! Wat zullen we doen, kies jij maar..”
Sociale contacten.
Een sfeer wordt gecreëerd waarin kinderen leren om respect te hebben voor elkaar. Kinderen kunnen veel aan elkaar hebben, maar zij kunnen elkaar ook onderdrukken. Zij worden gestimuleerd om duidelijk aan elkaar te maken wat zij wel en niet willen. Kinderen leren bij onderlinge conflicten voor zichzelf op te komen. Bij conflicten kan de pedagogisch medewerker ruimte geven om zelf naar oplossingen te zoeken. Alleen als dit niet mogelijk is of als een kind dreigt het onderspit te delven, kan de pedagogisch medewerker ingrijpen. Pedagogisch medewerksters zijn zich te allen tijde bewust van hun voorbeeldfunctie. Kinderen imiteren. Pedagogisch medewerksters houden hier rekening mee bij hun taalgebruik en hun houding bij de activiteiten waaraan de kinderen deelnemen.
We stimuleren dit o.a. op de volgende manieren.
In de dagelijkse omgang is het noodzakelijk kinderen te stimuleren samen te spelen, te delen, op elkaar te wachten en samen op te ruimen. We stimuleren de kinderen elkaar te helpen, bv door hen samen een taak te geven
Een voorbeeld:
De oudere kinderen stimuleren we samen een activiteit te organiseren, bijvoorbeeld een speurtocht bedenken voor de hele groep.
We geven kinderen complimenten als ze zich prettig gedragen, dit is een goede stimulerende beloning. Als kinderen onderling ruzie hebben grijpen we niet direct in. Als de kinderen er niet zelf uitkomen dan zal de leidster een bemiddelende rol aannemen. Schelden, schreeuwen, vloeken ,slaan e.d. worden niet getolereerd. Samen met de kinderen zoeken we naar een compromis waarbij we er naar streven hen uit te leggen wat wel en niet aanvaardbaar is, en hoe we in die situatie rekening houden met elkaar. Er is voldoende spelmateriaal aanwezig dat de sociale competentie stimuleert . Buitenspeelgoed zoals een bal , springtouw zorgt ervoor dat de kinderen met elkaar gaan spelen. Binnen zijn er verschillende spelletjes die de kinderen samen kunnen doen. Deze spellen leren de kinderen op hun beurt te wachten , omgaan met winnen en verliezen. Ook zijn er verschillende hoeken ingericht zoals een poppenhoek, een keukentje, kinderen spelen hier situaties na uit het “echte leven” en leren hierdoor op een passende manier met elkaar om te gaan. ook is er een speelkleed met garage en bij de tafel staat een grote knutselkast. In de kast in de hal liggen de spelborden.
Overdracht van normen en waarden.
Op de BSO doen kinderen veel sociale leermomenten op , zoals vriendschappen aan gaan, conflicten maken , samen pret maken, delen van speelgoed of even wachten op elkaar. Spelenderwijs leren kinderen waarden en normen kennen. Ze zien, ervaren en oefenen wat we belangrijk vinden, wat goed is en niet goed is en wat hoort en niet hoort.
Naast het verwoorden en uitleggen van gewenst gedrag helpt ook het belonen van positief gedrag door het geven van complimentjes ( verbaal en non verbaal) bij het aanleren van de juiste omgangsvormen en regels.
Ongewenst gedrag ( bijvoorbeeld geen respect voor elkaar of voor de materialen en onze omgeving ) proberen we voor te zijn of om te buigen door waar nodig de groepsregels te herhalen. Van de kinderen wordt verwacht dat ze voorzichtig omgaan met het speelgoed van de BSO of van de andere kinderen, en dat ze met respect omgaan met knutselwerkjes van de andere kinderen. Wij willen kinderen leren met zorg om te gaan met de natuur, dieren en het milieu, bv geen takken van de bomen te rukken en samen voor een schone, opgeruimde leefomgeving te zorgen.
Het overbrengen van waarden en normen speelt ook in de opvang van kinderen voortdurend een rol. Het is belangrijk om kinderen hierin te betrekken en dingen uit te leggen. Wat is wel netjes en wat niet. Waarom mag je geen lelijke woorden gebruiken. Het is belangrijk om deze dingen te blijven benoemen, herhalen en uit te leggen, aangezien een jong kind qua normen en waarden en geweten nog bijna geheel afhankelijk is van volwassenen.
Voorbeeld:
We staan niet toe dat een kind als persoon wordt afgekeurd. Gedrag kan wel worden afgekeurd. Dit subtiele onderscheid wordt duidelijk in het voorbeeld .
Uitspraken als “ Dat is stom” of “Dat is vies” worden gecorrigeerd in “dat vind ik niet leuk “en “dat vind ik vies”. Zo leren kinderen elkaars mening respecteren.
Als pedagogisch medewerker geven wij zoveel mogelijk het goede voorbeeld. Dit betekend dat de pedagogisch medewerkers onderling met respect met elkaar omgaan zo ook met de kinderen. Hierbij hanteren we normaal taalgebruik, en houden we ons aan de regels. Ook in het spel gelden bepaalde regels: als je samen ergens aan begint, maak je het samen af, samen opruimen.
Ook houdt de pedagogisch medewerker rekening met de voertaal van het kind. Op de BSO wordt over het algemeen fries gesproken maar is de voertaal Nederlands bij het kind zal hier rekening mee gehouden worden en wordt er Nederlands met het kind gesproken. Een kind kan een voorkeur ontwikkelen voor een bepaalde pedagogisch medewerker. Soms is deze gekoppeld aan hoe vaak hij/zij die pedagogisch medewerker ziet. Vanuit het kind bekeken is dit begrijpelijk. Een pedagogisch medewerker gaat hier professioneel me om. Een pedagogisch medewerker geeft alle kinderen gelijkwaardige aandacht.
Regels en grenzen stellen.
Regels worden consequent maar niet halsstarrig toegepast. Er wordt rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van het kind. Bovendien vraagt elke situatie zijn eigen aanpak. Een kind dat vaak grenzen aftast, wordt anders benaderd dan een kind dat voor het eerst een regel negeert. Als er van een regel wordt afgeweken, wordt de reden uitgelegd. Kinderen worden gestimuleerd om zich verbaal te uiten en leidsters tonen het voorbeeld. Uitleg is ook belangrijk om te zorgen dat het kind de regels begrijpt. Door de regels weet het kind tot hoever het mag gaan en het ervaart wat er gebeurt als het de grenzen overschrijdt. Door kinderen aan te spreken op wat zij doen, leren zij de consequentie van hun gedrag.
Soms neemt ongewenst gedrag eerder af door het negeren van negatief gedrag gekoppeld aan het belonen van positief gedrag.
Belonen gebeurt door complimenten te geven. Als een kind de afgesproken grenzen overschrijdt, kan het nodig zijn voor een leidster om het gedrag te corrigeren. De leidster maakt een bewuste afweging om het gedrag te negeren, een alternatieve oplossing te zoeken of het gedrag te corrigeren. Gedrag wordt alleen gecorrigeerd op een manier die binnen de belevingswereld van het kind past en niet het zelfvertrouwen van het kind ondermijnt.
Leidsters zijn consequent. Als zij iets zeggen zorgen zij ervoor dat het daadwerkelijk gebeurt als een leidster een kind waarschuwt, zorgt zij ervoor dat de aangekondigde ‘straf’ ook uitvoerbaar is. Het kind wordt niet gekleineerd. De leidster zorgt dat het gedrag en niet het kind wordt afgekeurd.
De leidster laat blijken dat zij het kind, ondanks zijn gedrag, nog lief blijft vinden. Dit versterkt de eigenwaarde van het kind.
Om de straf te bepalen, vraagt de leidster zich af wat het kind emotioneel aankan. Vraagt de leidster te veel? Probeert het kind wellicht op een negatieve manier aandacht te krijgen? De ‘straf’ heeft altijd een duidelijk verband met wat er gebeurd is. De ‘straf ’vindt ook snel na de ‘overtreding’ plaats zodat er een verband bestaat tussen de daad en de ‘straf’. De duur van de ‘straf’ past bij de tijdsbeleving van het kind.
Na afloop van de ‘straf’ praat de leidster met het kind. Begrijpt het wat er is gebeurd? Begrijpt het dat de leidster niet boos is ? Bij ‘straffen’ kan het kind apart worden gezet. Er worden geen lijfstraffen toegepast ( zoals slaan ). LEIDSTER EN KIND MAKEN HET ALTIJD WEER GOED! Wanneer het kind gedrag vertoont dat vaak gecorrigeerd wordt, dan wordt dit besproken binnen ons team.
Observeren en signaleren van problemen
Een van de taken van de pedagogisch medewerker is het observeren van de kinderen tijdens hun dagelijkse doen en laten. Het is belangrijk dat de pedagogisch medewerker alert zijn op veranderingen in het gedrag van kinderen. Mocht het kind bijvoorbeeld veel huilen of veel individuele aandacht vragen of moeizaam functioneren in de groep. Wordt dat gemeld aan de ouders Dit kan leiden tot een gesprek met de ouders.
Het kind wordt geobserveerd en er worden duidelijke voorbeelden genoemd naar de ouders toe er zal overleg zijn over de situatie en gekeken worden of het herkend wordt door de ouders dan wel hoe er thuis mee omgegaan wordt.
Er wordt gezamenlijk naar een oplossing gezocht als er iets aan de hand is.
Bij het vermoeden van mishandeling geldt een ander plan van aanpak. Dit staat beschreven in de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit ligt op de BSO ter inzage.
Het kan voorkomen dat een kind niet op zijn plaats blijkt te zijn op de opvang. Als er een plan is ontwikkeld om het probleem aan te pakken, maar dit blijkt onvoldoende te werken, dan kan worden besloten om over te gaan tot beëindiging van de plaatsing. Dit gaat in zorgvuldig overleg met de ouders. De BSO vervuld hierbij een bemiddelende en beslissende rol. Hierbij wordt altijd het belang van het kind ( en de andere kinderen van de groep) betrokken en er is al een aantal keren met de ouders gesproken over dit probleem.
Ziekte van kinderen
Ziekte van een kind wordt door de ouders gemeld aan de leidsters. In geval van besmettingsgevaar is de leidster bevoegd het kind de toegang tot de BSO te weigeren.
Algemene stel regels zijn:
- een ziek kind is het meest gebaat bij verzorging van zijn/haar eigen ouder/verzorger
- een ziek kind wordt niet gebracht naar de BSO
- Er wordt melding gedaan door ouders over de aard van ziekte
Criteria om kinderen te komen halen/niet te brengen:
- Als een kind te ziek is om aan een dag/dagdeel programma deel te nemen
- Wanneer het kind te intensieve begeleiding nodig heeft van de pedagogisch medewerkster
- Als het de gezondheid van andere kinderen of pedagogisch medewerkster in gevaar brengt
- Boven de 38.5 graden koorts
Betrokkenheid van ouders
Om de twee leefwerelden van het kind op elkaar aan te laten sluiten overleggen ouders en leidsters. Er moet sprake zijn van een uitwisseling van belangrijke informatie over de thuissituatie en het functioneren in de stamgroep op de BSO
Vanaf het wennen tot het moment van vertrek, hebben leidsters een belangrijke rol bij het in stand houden van de contacten met ouder(s)
Wennen
We beginnen bij de opvang met een intake –gesprek waarin we informatie uitwisselen.
De wenperiode is bedoeld om het kind, de ouder(s) en de leidsters elkaar te leren kennen. Het kind ( en de ouder(s) ) went aan de stamgroep. De leidsters hebben de gelegenheid om het kind te leren kennen. Wennen verreist zorgvuldigheid, omdat dit de basis legt voor het verdere verloopt van de periode op de BSO. Iedereen heeft een wenperiode nodig, maar de duur is afhankelijk van het kind. Kinderen worden langzaam vertrouwd gemaakt met de activiteiten die gedurende de opvang plaatsvinden, de regels en de gewoonten van de stamgroep.
Eerlijkheid tussen leidsters en ouders is altijd belangrijk. Dit geldt ook voor de wenperiode. Als het kind het moeilijk heeft, moeten ouder(s) dit weten.
Leidsters verleggen grenzen tijdens het wennen. Kinderen krijgen de ruimte om een plaats te vinden in de stamgroep en een relatie op te bouwen met de andere kinderen en met de leidsters.
Alle emoties zijn mogelijk bij het wennen. Het kind is pas gewend als het een plaatsje in de stamgroep heeft. Voor sommige kinderen duurt dat wat langer leidsters zijn hier alert op. De leidsters besteden tijdens de wenperiode extra aandacht aan het kind en hun ouder(s). Wij gaan ervan uit dat alle kinderen een plek voor zichzelf vinden op de BSO.
Zien de leidsters echter dat dit zelfs na een lange periode niet het geval is, dan kan het in het belang van het kind zijn om de plaatsing te stoppen of uit te stellen. De BSO is verantwoordelijk voor dit besluit. Alvorens een dergelijk besluit te nemen dient de BSO overleg te voeren met de ouder(s).
Haalcontacten.
Leidsters en ouder(s) kunnen tijdens het halen informatie uitwisselen over:
- Hoe het kind in de groep is
- Hoe het kind zich ontwikkelt
- Het sociaal/emotioneel gedrag van het kind in de groep
- Bijzondere voorvallen op de BSO
- Afstemming in handelen
Ouder(s )en leidsters zijn afhankelijk van de informatie die zij van elkaar krijgen.
De BSO is geen eiland dat afgesloten is voor ouder(s). Een ouder krijgt ruimte om vragen te stellen en met opmerkingen te komen.
De BSO neemt alle verzoeken van ouder(s )betreffende de omgang met hun kind serieus. Er wordt gekeken naar de haalbaarheid en indien nodig wordt een compromis gezocht. Richtlijn is dat het mogelijk moet zijn binnen de grenzen van de stamgroep ( inclusief het betrokken kind ) er geen nadeel van onder vindt.
Bij opmerkingen en klachten van ouders willen we graag dat ouder(s) naar de leiding toekomt. Zodat we de mogelijkheid hebben om het met elkaar op te kunnen lossen.
Tijdens het halen van het kind zijn de ouder(s) verantwoordelijk voor hun kind. Als ouder(s) en leidsters samen zijn, is de ouder primair verantwoordelijk voor het kind.
Oudergesprekken
Ouder(s )en leidsters kunnen elkaar spreken bij het halen en brengen. Voor meer diepgang in de contacten zijn er oudergesprekken. Leidsters en/of ouders kunnen hiervoor het initiatief nemen.
Doel van het oudergesprek is:
- Hoe is de algemene indruk van het kind;
- De ontwikkeling van het kind bespreken;
- Hoe is het kind binnen de groep;
- De gezondheid van het kind;
- Vormgeven aan gedeelte opvoeding door informatie uitwisseling;
- Leidsters of ouders de kans geven te spreken over problemen en/of vragen te stellen;
Privacy
Alles wat besproken word over uw kind blijft vertrouwelijk binnen de BSO.
Wij gaan zorgvuldig om met de privacy van ieder gezin.
Ouderavonden
Bij voorkeur zal één ouderavond per jaar plaats vinden samen met het kinderdagverblijf. Deze avond heeft een informatief karakter. Er staat naast algemene informatie vaak een thema centraal. Hiervoor wordt meestal iemand voor uitgenodigd. Doel van de ouderavond is de onderlinge contacten tussen ouders en tussen ouders en leidsters te bevorderen en de betrokkenheid bij de BSO te vergroten.
De uitdaging van de groep
BSO in één stamgroep
Het kind zoekt een plaats voor zichzelf in de stamgroep. Omdat kinderen vaak op vaste dag(del)en op de opvang komen, treffen zij vaak bekende kinderen om zich heen. Zij worden opgevangen in één dezelfde ruimte. Hier heerst een ontspannen en gezellige sfeer. De leidsters begeleiden de kinderen. Zij zorgen dat de voorwaarden aanwezig zijn om de tijd op de BSO zo aangenaam mogelijk in te vullen. Voor de allerjongsten wordt een veilig en geborgen klimaat geschapen. We eten en drinken aan tafel. Kinderen krijgen de aandacht voor wat ze willen gaan doen en wat ze beleefd hebben op school. We luisteren naar elkaar als er een kind of medewerkster aan het praten is.
Een kind kan de stamgroep verlaten als zij daar aan toe zijn , voor een gezamenlijke activiteit ,of een uitstapje.
Wij dragen zorg voor een goede registratie en communiceren over het verlaten van de stamgroep altijd met de ouders.

Situaties waarbij kinderen de stamgroep verlaten
- Opendeurbeleid
- Bij het buitenspelen in de buitenruimte of onder begeleiding in de naast liggende beweegtuin
- als er een uitstapje wordt gemaakt
- Mocht een kind de stamgroep verlaten om buiten het terrein te spelen of om naar de sport te gaan vragen wij hiervoor goedkeuring van de ouders middels het afspraken formulier. Dit formulier wordt meegegeven tijdens het intake gesprek.
Opendeurbeleid
De BSO heeft een opendeurbeleid. Het gebouw is zodanig ingericht dat kinderen van verschillende leeftijden elkaar kunnen ontmoeten, dit zijn de kinderen van ‘t KDV en de BSO. Dit kan zijn in de eigen of aangrenzende groepsruimte. Maar er kunnen ook specifieke activiteiten georganiseerd worden in de BSO ruimte of in de groepsruimte van het KDV. De talenten van de pedagogisch medewerkers kunnen daarbij worden ingezet. Ook tijdens het buitenspelen op het gezamenlijke buitenterrein kunnen kinderen samen activiteiten ondernemen met kinderen van het kinderdagverblijf.
Samengevat is het doel van het open deuren beleid: uitbreiding van speelruimte, spelaanbod en leefruimte; uitbreiding van onderlinge contacten tussen de kinderen; profiteren van talenten van pedagogisch medewerkers; vertrouwdheid met het hele kinderdagverblijf. Gedurende de activiteiten buiten de eigen groep houden de pedagogisch medewerkers in de gaten of ieder individueel kind zich prettig voelt bij de situatie. Soms moet een kind nog wennen aan de situatie. Daar waar nodig wordt extra aandacht of begeleiding geboden of gaan kinderen gewoon weer terug naar hun eigen groep.

Openingstijden
De BSO is op de volgende werkdagen geopend.
- Op maandag, dinsdag en donderdag van 14.00 tot 19.00 uur.
- Op woensdag en vrijdag van 12.00 tot 19.00 uur.
- In de schoolvakanties op maandag t/m vrijdag van 7.00 tot 19.00 uur.
Dagindeling
De kinderen kunnen maximaal 12 uur per dag opgevangen worden bij Yippee (tijdens schoolvakanties van 7.00-19.00).

Er kan een kortblok (14.00-16.00) of een langblok (14.00-18.00) afgenomen worden tijdens schoolweken. Extra afgenomen middagen en/of uren worden gefactureerd.

Er zijn flexibele haal en brengtijden tijdens de vakantieweken (in overleg met de leiding van het Yippee).

Wij hebben een bepaald dagprogramma en vinden het daarom van belang dat ouders de afgesproken breng- en haaltijden in acht nemen.

Extra uren afnemen of ruilen van middag/dag kan als de kindbezetting dit toelaat. Er wordt hiervoor geen extra leidster ingezet.

Indeling:
14.00 - 14.30 uur kinderen ophalen van school en naar de BSO lopen
14.30 - 15.00 uur gezamenlijk iets eten en drinken en vertellen over de schooldag, overleggen wat kinderen willen doen
15.00 - 18.00 uur gezamenlijke activiteit of individueel spel
16.30 -17.00 uur gezamenlijk fruit eten en drinken
18.00 - 19.00 uur kinderen worden opgehaald, overdracht naar ouders en afscheid
Vakantie indeling:
07.00 - 09.00uur ontvangst kinderen, korte overdracht van ouders, welkom heten
09.00 - 10.00 uur individueel spel, gezamenlijke speciale activiteit of uitstapje in kader van vakantiethema
10.00 - 10.30 uur fruit en drinken
10.30 - 12.15 uur gezamenlijke activiteit of individueel spel
12.15 - 13.15 uur samen tafel dekken, lunchen en afruimen.
13.15 - 16.00 uur individueel spel, gezamenlijke speciale activiteit of uitstapje in kader van vakantiethema
16.00 - 17.00 uur samen eten en drinken en vertellen over belevenissen die dag of over ander thema
17.00 - 19.00 uur ophalen kinderen, overdracht naar ouders en afscheid
Het pand
BSO Yippee is samen met de peuterspeelzaal en kinderdagverblijf gevestigd in één gebouw.
Het KDV heeft een aparte groepsruimte in het gebouw. De BSO en de peuterspeelzaal hebben een gezamenlijke groepsruimte. In de ochtend wordt deze ruimte door de peuterspeelzaal in gebruik genomen en in de middag door de BSO. We gebruiken een gezamenlijke hal en keuken. De BSO heeft een eigen toilet. De jonge kinderen kunnen ook gebruik maken van het toilet van het kinderdagverblijf.
Hygiëne en veiligheid.
De ruimte van de BSO voldoet aan de norm. Schoonmaakartikelen zijn buiten bereik van kinderen opgeborgen. Stopcontacten en elektrische apparatuur zijn zodanig geïnstalleerd dat zij geen gevaar voor de kinderen opleveren.
Op de BSO is blusapparatuur aanwezig. Deze worden regelmatig gecontroleerd. Verder beschikken wij over een brandplan en een certificaat bedrijfshulpverlening.
Tevens wordt er ieder jaar een risico-inventarisatie uitgevoerd op hygiëne en veiligheid.
Indeling van de binnenruimte.
Wij delen onze ruimte met de peuterspeelzaal. Iedere middag wordt de BSO ruimte aangekleed als BSO.
Bij de tafel staat een knutselkast, er is een poppenhoek en een TV-hoek, spelletjeshal met twee spelborden, garagehoek
Er kan ook gekozen worden voor de lego etc. en zal er ter plekke een bouw hoek/ lees hoek/auto hoek/ spelletjes hoek gecreëerd worden. Ook is er binnen een hockey tafel en constructie materiaal (Moov)voor buiten.
Indeling buitenruimte.
Ook deze ruimte wordt gedeeld met de peuterspeelzaal. Voor alle leeftijden zijn er fietsen maar er is ook een zandbak/glijbaan en rekstokken om heerlijk vrij te bewegen.
De ruimte is natuurlijk ingericht met zoveel mogelijk natuurlijke materialen.
Naast onze locatie bevindt zich een beweegtuin. Als ouders hun goedkeuring hebben gegeven middels het afsprakenformulier mogen kinderen daar zelfstandig spelen. Dit formulier wordt meegegeven tijdens het intake gesprek.
Als de groep het toelaat kan de leidster daar ook heen met een groepje kinderen. En kan er onder begeleiding gespeeld worden.
Spelmateriaal
Het spelmateriaal voor binnen en buiten is afgestemd op de lichamelijke, verstandelijke, creatieve en sociaal emotionele ontwikkeling van kinderen en wordt geselecteerd op kwaliteit en veiligheidsnormen. We leren kinderen met zorg om te gaan met speelgoed. Samen speelgoed opruimen op een vaste plek en puzzels en spelletjes ( weer) compleet maken hoort daarbij. We bieden daarmee structuur en geven door dat respect voor dingen in je omgeving belangrijk is.
Gebruik van computer en televisie/video
Op de BSO wordt gebruik gemaakt van een wii en televisie. Kinderen mogen hier gebruik van maken, maar niet langer dan 20 minuten achter elkaar.
Activiteiten
De activiteiten die de kinderen kunnen beoefenen op de BSO staan altijd in het teken van vrije tijd. Wij gaan ervan uit dat de kinderen hun vrije tijd bij ons doorbrengen. Om deze reden zal er nooit een vast activiteitenprogramma klaarliggen. Wel kunnen kinderen begeleid ,gestuurd en uitgedaagd worden in de activiteit die ze willen gaan uitvoeren, maar als een kind nergens zin in heeft en even de rust willen opzoeken moet dat ook kunnen, Voorbeelden van activiteiten zijn:
- Binnen of buiten spelen met allerlei speelgoed. Kinderen zijn vrij om te kiezen waarmee ze willen spelen en speelgoed ligt altijd onder bereik van de kinderen.
- Groepspelletjes, bijvoorbeeld een gezelschapsspel of beweegspelletjes
- Wii
- Knutselactiviteiten ( regelmatig werken we met thema’s waarop de activiteiten zijn afgestemd)
- Iets koken of bakken
Kinderen kunnen een vriendinnetje/ vriendje meenemen wat bij de BSO komt spelen. In het laatste geval bepaalt de leidster of dit mogelijk is en overlegt, indien nodig, met betreffende ouders. De kinderen moeten dus eerst overleggen. Het komt voor dat kinderen vanuit de BSO bij een vriendje of vriendinnetje blijft spelen, mits de ouders hiervoor toestemming geven, middels het afspraken formulier.
Uitstapjes
Het spreekt voor zich dat de invulling van de lange dagen anders is dan die van de korte.
Dit geldt natuurlijk voor de opvangdagen gedurende de schoolvakanties. Het is om deze reden dat wij in de vakanties werken met een vooraf uitgewerkt programma-aanbod wat is afgestemd op leeftijd en opgebouwd rondom een bepaald thema.
Aangezien het maken van uitstapjes een zeker risico met zich meebrengt, zijn door ons voorwaarden opgesteld waaraan uitstapjes moeten voldoen, zodat ze op een verantwoorde manier plaatsvinden. Dit staat beschreven in het protocol “op stap met de BSO” . Het informeren en toestemming krijgen van ouders voor een uitstapje wordt schriftelijk vastgelegd. Het maken van afzonderlijke afspraken doen wij middels het afspraken formulier die we meegeven tijdens het intake gesprek.
Verjaardagen
Verjaardagen worden gevierd bij de BSO en er mag getrakteerd worden.
Er wordt gezongen voor de jarige !.
Vakantieopvang
Uiteraard is het mogelijk gebruik te maken van opvang tijdens de schoolvakanties. Hierbij geldt de volgende regel:
Bij voorkeur 4 weken, maar minimaal een week voor de vakantie geven ouders schriftelijk per mail door op welke momenten zij gebruik willen maken van de vakantieopvang.

Ondersteuning
De map met kind gegevens en telefoonnummers van ouders staat voor het grijpen en is voor iedereen in nood beschikbaar. Ook op de noodlijsten staan de telefoonnummers van collega’s / achterwachten en directie van de BSO.
De huisarts / fysiotherapeut /tandarts is op loopafstand van het pand.
Van ouders wordt verwacht dat zij belangrijke gegevens bij wijziging door geven aan de BSO. De schoolcontacten verlopen op de volgende manieren:
- Pedagogisch medewerkers onderhouden contacten met groepskrachten bij problemen en vragen van bepaalde kinderen.
- Regelmatige feedback hoe de samenwerking verloopt.
Ondersteuning beroepskrachten bij hun werkzaamheden.
BSO Yippee werkt met verschillende beroepskrachten binnen de opvang
BSO Yippee werkt uitsluitend met gediplomeerd personeel en heeft geen vrijwilligers in dienst. Binnen BSO Yippee zijn leidsters in dienst en er is een houder/eigenaresse.
Er kunnen ook stagiaires aanwezig zijn die de opleiding Pedagogisch Werk volgen. Deze worden begeleid door het personeel en brengen ook hun visies mee vanuit de opleiding.
De pedagogisch medewerkers zijn verantwoordelijk voor hun eigen stamgroep. De pedagogisch medewerker draagt zorg uit voor de kinderen in haar groep en voor eventuele activiteiten die zij daar verzorgt.
De houder/eigenaresse draagt de zorg voor de dagelijkse uitvoering van zowel het algemeen als het pedagogisch beleid. Zij houdt het overzicht en ondersteund de pedagogisch medewerker in haar werkzaamheden. Tussen de pedagogisch medewerker en de houder/eigenaresse vindt regelmatig overleg plaats over de dagelijkse gang van zaken en haar rol daarin.
Mocht het zo zijn dat de pedagogisch medewerkster verdere ondersteuning nodig is kan dit middels houder/eigenaresse en het consultatiebureau. Zij denken met de pedagogisch medewerkster mee, kunnen, indien gewenst, een kind observeren en bespreken, een afspraak maken voor een gezamenlijk oudergesprek en /of een verzoek neerleggen voor het inschakelen van externe deskundigen. Ook kunnen zij pedagogisch medewerkster en ouders adviseren over de aanpak of te nemen stappen. Dit gebeurt alleen als de ouder(s) hun toestemming verlenen. Indien haalbaar gaat de opvang in op verzoeken van andere instellingen voor medewerking bij de opsporing of oplossing van problemen, als de ouder(s )uitdrukkelijk toestemming geven voor de bemoeienis van deze instellingen. Pedagogisch medewerkers hebben een taak om hun bezorgdheid met de ouder(s )te delen. Het bespreekbaar maken kan al een geruststellend effect hebben op ouder(s).
In samenwerking met de ouder(s )en eventueel andere instanties kan de opvang meewerken aan een oplossing van het probleem. De opvang is echter beperkt in de mogelijkheid om speciale behandeling of ondersteuning te bieden aan individuele kinderen.
Ondersteuning bij het inzetten van één beroepskracht in afwijking kind-leidsterratio
Bij de bezetting van de BSO is er slechts één beroepskracht nodig.
Ondersteuning bij het inzetten van één beroepskracht ivm het vierogenprincipe.
Op de BSO komt het niet voor dat er slechts één beroepskracht aanwezig is i.v.m. het kinderdagverblijf in het gebouw. Hierdoor zijn er altijd minimaal twee pedagogisch medewerksters aanwezig. Mocht het door onvoorziene omstandigheden toch voorkomen dat een pedagogisch medewerkster alleen aanwezig is dan kan een medewerkster als achterwacht optreden in het gebouw die ook onverwacht langs kan komen.
Achterwacht
Onze achterwacht hebben we gewaarborgd op verschillende manieren:
Eigen personeel woonachtig in of nabij eigen dorp (Heeg).
Personeel Talma- State.
Deze personen zijn inzetbaar in geval van calamiteiten als problemen met kinderen, ouders , in geval van brand, en zijn binnen 10 minuten aanwezig.
In het rooster staat vermeld wie er achterwacht heeft.
Leidster-kind ratio
Op BSO Yippee hanteren wij de volgende maximale opvang en leeftijdsopbouw van de stamgroep. Op BSO Yippee werken wij met 1 stamgroep.
Leeftijdsgroep: 4-13 jaar
Onze roosters zijn ingedeeld op basis van kind aantallen. De verhouding pedagogisch medewerker-kind is 1 op 10. Maximale groepsgrootte: 16 kinderen. (zie www.1ratio.nl)
Alle beroepskrachten zijn in het bezit van een geldig diploma. De pedagogisch medewerkers werken volgens een vastgesteld rooster.
Er kunnen ook stagiaires aanwezig zijn die de opleiding Pedagogisch Werk volgen. Deze worden begeleid door het personeel.
Bij het gebruik maken van ruildagen/ extra dagdelen hanteren wij ook de vastgestelde leidster-kind ratio.
Dit kan aangevraagd worden bij de houder/eigenaresse van Yippee.

Openingstijden:

Sneek:
Ma-Vr 07:00-19.00 uur

Heeg:
Ma-Vr 07:00-19.00 uur

Telefoon:

Sneek:
0515 781113 - 06 43525982

Heeg:
0515 442223 - 06 43525982


tekening